Over memetische erfelijkheid, gedomesticeerde maakbaarheid en systeemvervreemding.
tekstvoorstel
'My paintings are an invitation to look someplace else'
Robert Rauschenberg
Een kathedraal als een schitterend bouwwerk dat, onvoltooid, onderhoudswerken opzuigt, een ode aan een hersenspinsel, een thuis voor geen god die we dakloos op de wereld gezet hebben; 2008 et je me sens cathédrale.
De kleine mens, schepper van zichzelf en zijn goden, die zich in bochten plooit om aan zijn dromen te voldoen. Die met zichzelf een wereld ontwerpt waarin hij hoopt naar hartelust te kunnen leven. Een samenleving die zich vorm geeft in functie van een publieke utopie, een collectieve consensus die het verlangen privatiseert ten gunste van haar economisch systeem.

Mensen, huizen, steden zijn met elkaar verbonden door zichtbare en onzichtbare netwerken die zich over of onder het landschap vertakken. Ze vormen de bloed- en zenuwbanen van de samenleving.
Een zeer groot deel van deze netwerken staat, direct of indirect, in functie van communicatie. Vele netwerken gebruiken een specifieke taal of hanteren taal op een specifieke manier. Taal wordt bij elke netwerkwissel geherstructureerd en herdacht, door die flexibiliteit vergroot de foutmarge en verdwijnen resten van die betekenisproductie (boodschap) in het landschap. De omgeving is een spons die deze gegevensmassa opzuigt en verwerkt. Het gevaar bestaat dat we bij een volgende betekeniswissel er niet meer in slagen de essentie te communiceren.
Het is voor de hand liggend om over stad, landschap, taal, huis te denken in termen van organisme, delen sterven af, groeien elders aan, verouderings- en verjongingsprocessen wisselen elkaar af; er treden constant betekenisverschuivingen op. Binnen de memetische evolutie ontstaan er breuklijnen in taal en communicatie, soms met tektonische gevolgen.
Waar kan je de mens als individu plaatsen binnen dit kluwen?
Waar gaat individualiteit over in netwerk, is een individu slechts te typeren door het knooppunt in netwerken dat hij inneemt, te onderscheiden door input en output te vergelijken?
Wat is dan oorzaak, wat gevolg: is onze individualiteit het resultaat van zorgvuldig samengebrachte netwerken of is het individu de basisvoorwaarde van de specificiteit van een netwerk, vormen wij onze context of omgekeerd, hoe gaan we om met dit schisma van eigenheid binnen een publieke utopie?
Jean-Luc Nancy stelt dat 'de eigenheid van het lichaam niet kan gedacht worden zonder de vreemdheid van het lichaam in beschouwing te nemen. Slechts op basis van de vreemdheid van het lichaam tot zichzelf, dat wil zeggen, door de eindeloze indringing en onteigening van het lichaam, kan de eigenheid, subjectiviteit of singulariteit van het lichaam gedacht worden.'
Het idee bestaat van het lichaam als grens, maar als grens van wat? Is het lichaam niet eerder een doorlopende gebeurtenis?
Als we de samenleving als organisme beschouwen, is het dan de functie van de kunst deze 'onteigening' en 'indringing' (het netwerk dat het individu doorboort en ontrafelt) te bewerkstelligen of bloot te leggen?
De mens is tegelijkertijd deel van de natuur als bezieler van een cultuur die deze natuur tot op een onbereikbaar niveau tilt. Hierdoor ontstaat er een gespletenheid, een onverzoenbaarheid; een conflict tussen het eigen natuurlijke lichaam en de culturele zorgen die het nodig heeft. Cultuur als tweesnijdend zwaard dat zowel beschermt als beperkt.
Als we het lichaam als het natuurlijke beschouwen en het culturele als het kluwen waaruit onze identiteit is opgebouwd, bestaat de kans dat we ons door de tijd hebben overgecodeerd, dat de essentie van de individualiteit tijdens de betekenisoverdracht is verloren gegaan. Hierdoor komt de splitsing tussen lichaam en geest weer dichterbij, een memetische erfelijke belasting.
Het internet is een belangrijke en relatief nieuwe communicatiesnelweg met, op maatschappelijk vlak, de impact van de uitvinding van de boekdrukkunst. Op het net zijn bij benadering twee communicatievormen te onderscheiden: communicatie om de communicatie (persoonsgericht en open) en de communicatie als kennisoverdracht (hermetisch, los van individualiteit). Als we echter beide systemen gaan vermengen komen we dan niet in een situatie van decommunicatie?
Het random samenstellen en simultaan gebruiken van verschillende (tijdelijke) identiteiten, gecreëerd binnen gedefinieerde kaders, zou een voorbeeld van deze evolutie kunnen zijn. Door verlies van het unieke karakter van identiteit en de sociale controle hierop, kunnen de teugels van de communicatie enerzijds gevierd worden. Anderzijds worden betekenisverschuiving en informatieverlies mede opgevangen door een redelijk uniform duidingpatroon (naam, leeftijd, interesses, vrienden, geslacht) dat de onbeheersbaarheid van taal verdoezelt.
Identiteitstoekenning komt los te staan van derden en verschuift naar identiteitscreatie, het individu radicaliseert het besef dat hij niet samenvalt met zijn beeld, en besluit zichzelf uit te vinden, doorgedreven zelfontplooiing.
Naar analogie met het terugdringen van natuur naar eilanden binnen een verstedelijkte, gedomesticeerde omgeving, wordt ook het individu een eiland binnen zijn netwerken. Natuur en individu worden heterotopieën binnen een geconstrueerde omgeving, een plaats tegelijkertijd in en buiten de werkelijkheid. Ondanks hun autonome status tegenover de omgeving zijn er mogelijke intrusies zoals de economisering van de heterotopie, natuur en individu worden als resources benaderd. De politisering van de heterotopie, het aan banden leggen van persoonlijke vrijheden, het temmen van natuurlijke processen.
Dit creëert een inwendig spanningsveld, een spanning die we trachten te verlichten door een vernieuwde invulling van individualiteit, een collectieve consensus die het verlangen privatiseert ten gunste van haar economisch systeem.
door vanuit antropocentrisch standpunt de omgeving beschouwen als zandbak waarin gradaties van maakbaarheid worden getest, volgens darwinistisch principe wordt vervolgens de leefbaarheid onderzocht.
Verstedelijking is een globale tendens die zich ook voortzet in het denken, maakbaarheid was vooral een aangelegenheid van de modernisten, in de voetsporen van het verlichtingsdenken, en in twijfel getrokken door de postmodernen. Ik lees steeds weer dat het geloof in zowel de menselijke als de sociale maakbaarheid afkalft in ons huidig tijdsgewricht. Redenen die hiervoor aangegeven worden zijn de onoplosbaar lijkende problemen op gebied van globale armoede en migratie, vetes tussen de godsdiensten, vorderingen op wetenschappelijk vlak tonen ons de grenzen van de maakbaarheid...
Maar zijn deze hinderpalen echte remmen op het vooruitgangsgeloof of brengen ze eerder een verschuiving van terminologie teweeg. Misschien is de aard van de maakbaarheid en het grootse ideaal van een alomvattende controleerbaarheid, verschoven naar een nieuwe vorm van domesticatie, hetzelfde ideaal maar op kleinere schaal toegepast. Deze verschuiving impliceert een opsplitsing van het probleem waardoor op kortere termijn successen mogelijk zijn, slechts de wetenschapper ervaart de moeilijkheden van maakbaarheid ten volle, voor de gewone burgers zijn vooral de realisaties van domesticatie zichtbaar. Het vooruitgangsgeloof wordt opgesplitst naar de intellectuele klassen, ook de vooruitgangs- en maakbaarheididealen worden gedomesticeerd.
Het scheppen van individualiteit sluit hier naadloos op aan, als gedomesticeerde
maakbaarheid van het eigen ik.
Vanuit dit denkkader problematiseert het toe-eigenen van beelden die niet eigen zijn aan de kunstcontext niet enkel het verschil tussen kunst en niet-kunst, maar maakt tevens een reflectie op het niet-kunstige mogelijk.
Door de beelden als neologismen van de werkelijkheid te presenteren wordt hun omgeving hun stam, van daaruit wordt de betekenis ontleed, herdacht en terug samengevoegd tot een (nieuw) geheel dat begrijpbaar is doordat het zijn wortels in het gekende heeft. Hoe ver kan je gaan in het ontwikkelen van een eigen (beeld)taal die nog altijd verstaanbaar is, zei het op een emotioneel meerduidige manier?
Een bedekte taal die wordt ontdekt door haar steeds weer in de mond te nemen, door haar woorden te herkauwen.
Dit denken impliceert een 'actieve taaltoevoeging', maakt communicatie over nieuwe kennismodellen mogelijk. De verbeelding van een open denkproces dat beelden ent op bestaande modaliteiten teneinde de omgeving open te trekken en zo een parallelle realiteit te tonen.
Deze parallelle realiteit is een voorstel (proposition) voor een hernieuwde realiteit, de sculpturen fungeren als aanbevelingen, ze hopen de toeschouwer te infecteren zodat deze zijn realiteit op een abjecte manier gaat waarnemen en bijgevolg wantrouwen. Wantrouwen en twijfel zijn voorwaarden om tot het parallelle te komen. Deze parallelle realiteit is allerminst escapistisch, ze vereist een doelgerichte bewustzijnswijziging, een omarming van mogelijkheden.
Werken met parallelle realiteiten is een denkoefening die het mogelijk maakt onverwachte aspecten van het leven aan elkaar te koppelen, en als gangbaar te presenteren. Dagelijkse evidenties krijgen een toekomst of een andere vorm waardoor hun aanvaarding in het gedrang komt.
Dit betekent dat de werken zijn gebouwd bovenop wat reeds aanwezig was, het is een samenspel van hoe ik de dingen zie, hoe de dingen ervoor gezien werden, en hoe mensen de dingen zien nadat het werk tot stand is gekomen. De materialisatie bepaalt de sculpturale eigenwaarde.
Onder de huid van de sculptuur is de handeling voelbaar, hoe de werken tot stand kwamen, de overgang van materiaal in betekenis en de verschuivingen die tijdens dit proces gebeurden. Dagelijkse twijfel en verandering sluipen het werk binnen.
Door dit proces te tonen wordt een menselijk aspect, een menselijke conditie zichtbaar, onverhuld, met alle mogelijkheid tot falen.
Hun gebricoleerde voorkomen maakt de werken kwetsbaar, alsof ze zich slechts in een tijdelijke vorm tonen, even uit het duister van hun transitzone treden, de beelden articuleren een momentane waarheid. De absolute waarheid die soms aan kunst toegedicht wordt, wordt hierdoor ondermijnd en vervangen door een aparte productiecategorie met tal van verwijzingen naar andere, vertrouwdere, productieprocessen. In dit opzicht wensen de sculpturen zich te nestelen in het courante, de dagelijkse omgang. Ze reflecteren een maatschappij waar functionaliteit niet meer zonder esthetiek kan en waarschuwen voor het omgekeerde.
Anderzijds verraadt het proces een waaier aan totstandkomingen, van meditatieve toestand tot het constant scherp stellen en kiezen.
Dit sluit aan bij het geloof dat er niet een waarheid is, niet een manier om de dingen te doen, hoewel steeds verder in het productieproces het aantal mogelijkheden afnemen. De enige constante keuze is die van de vernietiging, het radicaal doorbreken van het creatieproces, zelfs als na de afwerking geen keuzes mogelijk lijken blijft deze optie overeind.
De werken nodigen uit tot aanraking, tot deelname aan het proces.
De bewuste keuze om twijfel te tonen reflecteert ook de dagelijkse noodzaak om keuzes te maken, 'the burden of free choice', het dagelijkse zappen en shoppen. Het aantal keuzemogelijkheden vergroot maar de breedte van het veld waarbinnen kan gekozen worden verkleint dramatisch, de toenemende vrijheid van keuze en de emancipatie van het individu zijn dus illusies. Door het proces in sculpturen te tonen wordt de toeschouwer geconfronteerd met de multitude aan mogelijkheden die inherent is aan elke fase van het creatieproces.
Onderling vormen de werken een organisch geheel waarbinnen ze steeds opnieuw geplaatst worden.
Ze vormen een web van beelden, een perpetuum mobile van bevroren gedachten dat de link tussen het reële en het virtuele zichtbaar maakt zodat er een parallelle sculpturale realiteit ontstaat. Er ontstaat een ambigu beeld dat balanceert op de rand van de werkelijkheid. De poëzie van het onmogelijke die de manier waarop we onze werkelijkheid op onze opvattingen en verlangens afstemmen onderzoekt. Een beeldtaal die vragen stelt bij de dualiteit waarmee we leven; het is enkel doordat er gevaar bestaat dat er bescherming kan zijn. Tegenstellingen die elkaar beademen; contrasten in kleur, vorm en materie; op zoek naar een onverwachte soort vanzelfsprekendheid, die nooit volledig aanvaardbaar is. Het gaat er niet enkel om nieuwe ervaringsmogelijkheden toe te laten, maar ook om hier een nieuw referentiekader aan te geven.
Het verhalende en het formele worden tegen elkaar uitgespeeld waardoor ze elkaar besmetten, het wordt duidelijk dat vorm en vormelijke relaties ook betekenisdragers zijn, betekenis die groeit door fysieke interactie, vanuit onze lichamelijke bepalingen, met de wereld zoals we hem vinden en maken. Door elementen te combineren die de meeste mensen als vanzelfsprekend aannemen, als deel van de echte wereld, met zelfgemaakte onderdelen, elementen die een ervaring weerspiegelen, wordt de echte wereld in vraag gesteld. Representeren die elementen dan geen emotionele ervaring? Alles wordt een realiteit.
Tinka Pittoors
Gent 11 03 2008